(Gezondheids)Preventie
GGD Veilig Thuis
Binnen de GGD Zuid-Limburg is door de aanhoudende stijging en complexiteit van meldingen bij Veilig Thuis extra formatie in 2026 nodig om de wettelijke taken adequaat te kunnen blijven uitvoeren. Hiermee worden wachttijden beperkt en de expertiserol en samenwerking in de keten versterkt.
Participatie en Bestaanszekerheid
Het Werkbedrijf.
We investeren in een toekomstbestendig Werkbedrijf voor mensen met een Wsw dienstverband, mensen met een indicatie nieuw beschut of mensen die een opstapje nodig hebben richting de reguliere arbeidsmarkt of tijdelijk een vangnet nodig hebben als het bij een reguliere werkgever even niet lukt.
Vanuit de Participatiewet zijn meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk in het Werkbedrijf van Vidar. Het Werkbedrijf levert daarmee een positieve bijdrage aan een inclusieve arbeidsmarkt.
Voor de mensen die in het Werkbedrijf aan het werk zijn, betaalt het Werkbedrijf een bedrag dat gelijk is aan de loonwaarde van de werknemer. Doordat er meer mensen aan het werk zijn, betaalt het Werkbedrijf een hoger bedrag aan loonwaarden.
In de loonwaarde komt tot uitdrukking welke capaciteiten iemand met een arbeidsbeperking heeft, afgezet tegen iemand met een soortgelijke functie zonder arbeidsbeperking.
Ook de tariefstelling wordt gebaseerd op loonwaarde. Dit gaat op termijn leiden tot hogere baten, maar momenteel hebben we nog te maken met lopende prijsafspraken. Daardoor wordt de tariefstelling niet in één keer, maar stapsgewijs aangepast.
Het bedrag aan betaalde loonwaarde en de baten zijn daardoor momenteel niet in balans. We verwachten hierdoor dat het voordelige exploitatieresultaat van het Werkbedrijf zich minder gunstig zal gaan ontwikkelen. We komen hier in de 2e programmarapportage 2026 en de programmabegroting 2027 op terug.
Leren & Jongeren
De nieuwe ontwikkelingen brengen ook risico’s voor Team Leren & Jongeren met zich mee. Hieronder worden de grootste risico’s benoemd.
Strategische risico’s:
- Toenemende verantwoordelijkheid zonder gelijke randvoorwaarden
- Nieuwe wetgeving versterkt de gemeentelijke rol in preventie, regie en samenwerking. Wanneer landelijke kaders, samenwerking en voorzieningen zoals onderwijs niet in hetzelfde tempo meebewegen, ontstaat het risico dat jongeren onvoldoende ondersteunt kunnen worden.
- Onvoldoende passend aanbod voor groeiende en veranderende doelgroepen
- De doelgroep verbreedt en de complexiteit van problematiek neemt toe. Wanneer onderwijs, arbeidsmarkt en zorg onvoldoende aansluiten, bestaat het risico dat jongeren langdurig afhankelijk blijven van ondersteuning zonder duurzaam perspectief.
- Onzekerheid over toekomstige handhavingskaders leerplicht/leerrecht
- Het landelijke onderzoek naar Leerrecht kan leiden tot wijziging van taken en handhavingsinstrumenten. Hierdoor kan een situatie ontstaan waarin de verantwoordelijkheid voor schooldeelname blijft bestaan, terwijl passende juridische kaders of instrumenten veranderen of ontbreken.
- Structureel risico op groeiende groep thuiszitters 18-
- Door toenemende complexiteit van problematiek, wachtlijsten in zorg en het ontbreken van passend onderwijs- of maatwerkaanbod bestaat het risico dat meer jongeren langdurig thuis komen te zitten zonder ontwikkelperspectief.
Operationele risico’s:
- Toenemende werkdruk door verzwaring en complexiteit van de doelgroep
- De doelgroep kenmerkt zich in toenemende mate door multiproblematiek en langdurige ondersteuningsvragen. Hierdoor verschuift de inzet van professionals naar intensieve begeleiding en stabilisatie, wat druk zet op de uitvoeringskracht en de ruimte voor preventie en vroegtijdige interventie verkleint.
- Complexere ketensamenwerking en risico op uitval tussen systemen
- De overgang van onderwijs naar arbeid, participatie, zorg of hulpverlening vraagt intensieve samenwerking met onderwijs, arbeidsmarktregio en zorgpartners. Verschillende belangen, financieringsstromen en verantwoordelijkheden vergroten het risico dat ondersteuning onvoldoende op elkaar aansluit en jongeren tussen systemen in vallen. Dit geldt in het bijzonder voor nieuwkomers en jongeren zonder passend onderwijs- of ondersteuningsaanbod, waardoor duurzame instroom in onderwijs, werk of inburgering uitblijft en langdurige begeleiding noodzakelijk blijft.
WMO
De nieuwe ontwikkelingen brengen ook risico’s voor gemeenten met zicht mee. Hieronder worden de grootste risico’s benoemd.
Strategische risico’s:
- Er is sprake van toekomstige onzekerheid over stelselwijzigingen (zoals de Inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage vanaf 2028).
- Er is minder beleidsruimte door financiële krapte.
- Er is sprake van een stijgende zorgvraag. Het aantal Wmo-gebruikers blijft stijgen door de vergrijzing en door het beleid langer zelfstandig thuis te wonen.
- Door complexere hulpvragen (bijvoorbeeld een combinatie van somatiek, GGZ en eenzaamheid) vergroten de druk op de maatwerkvoorzieningen.
Financiële risico’s:
- Er is sprake van stijgende kosten voor de Wmo-voorzieningen. De stijgende inflatie, hogere tarieven van zorgaanbieders door hogere personeelskosten als gevolg van Cao-stijgingen, hogere kosten voor hulpmiddelen en vervoer versterken deze trend. Dit legt een hogere druk op de gemeentelijke begroting.
- Het risico op structurele tekorten in de Wmo. Tekorten in het Sociaal Domein (Wmo, Jeugdzorg en Participatiewet) versterken elkaar, omdat gemeenten verplicht zijn ondersteuning te bieden. Het betreft openeinderegelingen.
- Onvoldoende ruimte voor indexatie van de contracten.
- Een risico op overschrijding van de Wmo-budgetten door stijgende vraag.
Operationele risico’s:
- De invoering van de Inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage betekent dat gemeenten hun toegang, communicatie en inning van de bijdrage moeten aanpassen.
- Strengere toegang kan leiden tot bezwaarprocedures en maatschappelijke onrust.
- De werkdruk voor consulenten neemt toe door complexere casuïstiek.
- Er kan sprake zijn van kwaliteitsverlies van zorg bij aanbieders door tariefdruk.
- Consequenties voor het huidige personeelsbestand bij team Zorg (minder werk)
- Als de huishoudelijke ondersteuning geen maatwerkvoorziening meer is.
Jeugdwet
De nieuwe ontwikkelingen brengen ook risico’s voor gemeenten met zich mee. Gemeenten lopen in 2026 vooral risico’s door stelstelwijzigingen, regionale verplichtingen, financiële houdbaarheid van het jeugdstelsel en toenemende complexiteit in jeugdproblematiek. Hieronder worden de grootste risico’s benoemd.
Strategische risico’s:
- De jeugdzorgsector kampt met structurele personeelstekorten, hoge uitstroom en toenemende agressie-incidenten. Dit bedreigt de continuïteit van zorg, de wachttijden, de kwaliteit en veiligheid en aantrekkelijkheid van het beroep.
Financiële risico’s:
- De nieuwe Cao Jeugdzorg 2026-2027 leidt tot een structurele loonstijging van 3,7% in 2026 en 3,4% in 2027 plus hogere vergoedingen voor scholing, overwerk en duurzame inzetbaarheid. Dit vergroot de druk op tarieven en bedrijfsvoering.
- Het zogeheten “ravijnjaar” is uitgesteld, waardoor geplande bezuinigingen pas in 2028 volledig doorwerken.
- Toch is er sprake van structurele onzekerheid, omdat structurele kortingen vanaf 2026 en besparingen in 2028 van kracht blijven.
- Nieuwe regionale contractering (o.a. de segment overstijgende aanbesteding) vanaf 2028 kan een kostenverhogend effect hebben, waarmee budgetten onder druk komen te staan.
Operationele risico’s:
- Er is sprake van beperkte tijd, personeel en middelen voor jeugdbeleid en uitvoering. Dit kan leiden tot onvoldoende regie, vertraging in beleidsuitvoering en onvoldoende toezicht op zorgaanbieders.
- Er is sprake van toenemende complexiteit van zorgvragen. Hierdoor wordt casuïstiek zwaarder, terwijl de capaciteit onder druk staat. Dit verhoogt risico’s op escalatie, crisisplaatsingen en hogere maatschappelijke kosten.
- Schaarste van zorg leidt tot risico’s op het niet kunnen leveren van passende zorg. In tijden van schaarste kunnen zelfs minimale kwaliteitsnormen onder druk komen te staan.