Uitgangspunten
Wij hebben de begroting 2023 opgesteld rekening houdend met onderstaande kaderstellende en technische uitgangspunten.
Kaderstellend
- Het raadsbesluit van 28 maart 2019 ‘Vervanging begrotingskaders’;
- De richtlijnen van de provincie, zoals opgenomen in de brief van 12 april jl.
‘Aandachtspuntenbegroting 2023’;
- De verordening ex artikel 212 Gemeentewet;
- De kadernota’s reserves en voorzieningen, waardering en afschrijving vaste activa, weerstands- vermogen
en risicobeheersing.
Technisch
Naast de kaderstellende uitgangspunten hebben wij bij de uitwerking van de begroting de volgende technische uitgangspunten gehanteerd:
- De begroting is reëel en structureel in evenwicht, met uitzondering van de jaarschijf 2026. Zie hiervoor tevens de toelichting onder ‘provinciaal toezicht’. - De meicirculaire 2022 is meegenomen in de actualisatie van het financieel perspectief. Overeenkomstig de besluitvorming over de P&C-cyclus 2022 verwerken wij de financiële gevolgen van de septembercirculaire in de 4de programmarapportage 2022. - Voor de aan te trekken financieringsmiddelen worden de volgende rentepercentages gehanteerd:
o Voor langlopende financieringsmiddelen wordt voor 2023 een rentepercentage van 3% gehanteerd. Ook voor de jaren 2023 t/m 2025 is dit 3%.
o Voor het financieringstekort dat onder de kasgeldlimiet valt, gaan wij, indien aan de orde, voor 2023 uit van 0,5%.
- Voor nieuwe investeringen wordt de omslagrente van 2023 gehanteerd, zijnde 3%. De volledige kapitaallasten worden geraamd in het jaar na het gereedkomen van het project. In het eerste jaar wordt rekening gehouden met de helft van de rentelasten. Dit conform de Provinciale richtlijnen. Voor de begroting / meerjarenbegroting worden de kapitaallasten als stelpost geraamd conform de besluitvorming bij de kadernota waardering en afschrijving vaste activa 2017 en rekening houdend met de fasering van de uitgaven.
Aanvullend op bovenstaande uitgangspunten lichten we onderstaand de gehanteerde uitgangspunten met betrekking tot indexering, de algemene reserve en de rijksbaten voor jeugd toe.
Indexering
Net als in voorgaande jaren maken wij de meerjarenbegroting op in constante prijzen met als prijsniveau begrotingsjaar 2023. De materiële budgetten zijn reëel geraamd. We hanteren hierbij het uitgangspunt dat loon- en prijspeilaanpassingen in de begroting een budgettair neutraal verloop hebben. Om dit te kunnen realiseren c.q. om de indexeringskosten te kunnen dekken, is binnen de begroting het volgende budgettaire kader gevormd:
- Gebaseerd op de indexpercentages 2023 uit de meicirculaire 2022 hebben wij uit het accres 2023 middelen gereserveerd voor de dekking van indexeringseffecten. We hebben de indexpercentages gerelateerd aan ons begrotingstotaal;
- Gebaseerd op de indexpercentages 2024 tot en met 2026 uit de meicirculaire hebben wij uit het accres 2024 tot en met 2026 middelen gereserveerd om in deze jaarschijven ook oplopende indexeringseffecten op te kunnen vangen.
- Gebaseerd op de indexpercentages 2023 uit de meicirculaire hebben we ten laste van het begrotingssaldo middelen gereserveerd om prijsstijgingen in de uitvoering van onze projecten te kunnen dekken. We hebben de indexpercentages gerelateerd aan lopende en nog te voteren kredieten.
Zoals in de inleiding is aangegeven, zien wij ontwikkelingen in de wereld die veel invloed hebben op onze begroting. Schaarste van producten zorgt voor forse prijsstijgingen (inflatie). Deze inflatie heeft als gevolg dat ook de rentes stijgen. We kunnen niet voorspellen of deze trend doorzet of niet. Zodoende kunnen we nu niet beoordelen hoe realistisch de huidige indexatie percentages zijn en of het budget toereikend zal zijn om de indexeringskosten te dekken. Daarom hanteren we de volgende prioritering van de indexering
- Personele lasten
- Tarieven zorgverleners WMO en Jeugdzorg
- Energiekosten
- Verbonden Partijen
- Subsidie Professionele Instellingen
- Overige subsidies
- Overige materiële kosten.
In de 4de programmarapportage 2022 doen we voorstellen over de inzet van het indexeringsbudget 2022 en 2023 waarbij de actuele informatie over de indexeringscijfers hanteren. Dit voor zover de impact van de prijsstijgingen op onze begrotingsposten dan financieel te kwantificeren is. In het vervolg van de P&C-cyclus monitoren we de ontwikkeling van de indexeringseffecten op genoemde categorieën en doen we voorstellen om deze effecten in de budgetten aan te passen en te dekken uit de gereserveerde middelen.
Algemene reserve
Onze begrotingskaders strikt toepassend, hebben wij in het verleden overschotten bij een P&C-product in de algemene reserve gestort. Niet alleen voor het lopende jaar, maar ook voor de jaarschijven uit de meerjarenraming. Niet wetende of in toekomstige jaarschijven ook daadwerkelijk sprake is van een overschot. Met ingang van de begroting 2022 voegen we alleen bedragen aan de algemene reserve toe, voor zover er bij de jaarrekening van de lopende jaarschijf daadwerkelijk sprake is van een voordelig saldo. Dit voorkomt dat we toekomstig middelen in de algemene reserve storten, waarvan we niet weten of dit geld in deze jaarschijven overblijft.
Rijksbaten Jeugdzorg
Passend binnen de verdere uitwerking van de Hervormingsagenda jeugdzorg hebben Rijk en VNG aanvullende afspraken gemaakt ten aanzien van de te verwachten ruimte in de gemeentelijke begroting 2024-206 aanvullend op de meicirculaire.Overeenkomstig deze afspraken hebben wij in onze begroting:
- Voor de jaarschijven 2024 tot en met 2026 extra rijksmiddelen opgenomen die overeenkomen met ons aandeel in de macrobudgetten van respectievelijk € 1.265 mln., € 758 mln. en € 367 mln. In deze bedragen is rekening gehouden met de taakstelling uit het coalitieakkoord.
- We hebben op een stelpost rekening gehouden met ons aandeel in de besparing van € 100 mln. in 2024, € 500 mln. in 2025 en 2026 als gevolg van maatregelen die het Rijk zal uitwerken.